18 apr 2018

Een plek voor ieder?


Auteur:

Het gaat niet helemaal lekker met het onderwijs in Nederland. De onderwijsinspectie constateert dat de kwaliteit van het basisonderwijs daalt, middelbare scholieren hebben last van keuzestress, onder studenten rukt het fenomeen burnout op en met de toevloed van buitenlandse studenten raken de universiteiten overvol. Wat te doen?

Laten we ons beperken tot de universiteiten. Wie het VWO-diploma heeft behaald mag gaan studeren aan een Nederlandse universiteit. Zo’n studie geldt als de hoogst mogelijke kwalificatie en daarom barsten veel universitaire opleidingen uit hun voegen. Ook staakt een kwart van de ingestroomde studenten hun studie (waarvan overigens twee-derde met een andere universitaire studie verdergaat). Dat klinkt niet efficiënt. Kunnen we studenten niet wat beter op hun plek krijgen?, zo verzuchtte onlangs scheidend rector magnificus Bert van der Zwaan van de Universiteit Utrecht. En twee promovendi in de geesteswetenschappen bepleiten strengere selectiecriteria voor de toegang tot universitaire studies.

Aha. Voor iedere jongere zou er dus een plek zijn voorbestemd. Door foute inschattingen en keuzes komen deze jongeren daar niet terecht. We moeten hen helpen door beter te selecteren. Bijvoorbeeld: wie geen belangstelling voor onderzoek heeft en over onvoldoende ‘leerdiscipline’ beschikt hoort aan de universiteit niet thuis, aldus (opnieuw) Bert van der Zwaan. Eerlijk gezegd denk ik zelf ook wel eens bij studenten: ‘wat doe je hier?’. Maar ik moet meteen bekennen dat ook ik waarschijnlijk zo’n student was.

Toen ik in 1969 aan de psychologiestudie begon had ik geen flauw idee wat ik er mee wilde worden. Ik wilde in ieder geval niet het onderwijs in. De paradox van de geschiedenis wil dat ik nu juist dat ben gaan doen, mijn hele werkzame leven lang. Bij een ‘betere’ selectie zou ik misschien Engels zijn gaan studeren of geschiedenis, en daarna vertaler of leraar zijn geworden. Of ik zou helemaal niet zijn gaan studeren (drummer in een bandje worden was een uiterst aanlokkelijke optie).

Ga er dus niet van uit dat bij achttienjarigen met zekerheid is vast te stellen wat ‘hun plek’ is. Scholieren en ook studenten zijn per definitie in ontwikkeling, waarbij hun opleiding de belangrijkste vormende factor is. Die vorming krijgt echter alleen kans als studenten niet als ‘nummer’ behandeld worden. Ze moeten als persoon worden aangesproken (meer hierover in mijn afscheidscollege). Rondlopen op een universiteit waar geen docent weet wie je bent leidt gemakkelijk tot ronddolen. Dan vraagt de student aan zichzelf: ‘wat doe ik hier?’. Dat een kwart van de studenten de gekozen studie staakt is zo bezien eigenlijk niet zo vreemd.

Bij de huidige staf-student-ratio is het realiseren van die vormende opdracht een probleem; docenten hebben simpelweg geen tijd om met individuele studenten in gesprek te gaan. Er moeten dus óf meer docenten komen óf minder studenten. Het eerste vergt actie om de overheid tot meer investeringen in het universitaire onderwijs te bewegen. Het tweede vergt een actief ontmoedigingsbeleid dat voor een beschaafde samenleving eigenlijk niet te verkopen is. De keus lijkt me duidelijk.

Deze column is oorspronkelijk geschreven voor de VAWO (Vakbond voor de wetenschap).

Share

Geef een reactie